Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF1083

Datum uitspraak2002-11-15
Datum gepubliceerd2002-11-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers02/1539 en 02/1542
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schorsende werking van bezwaar op grond van art. 6:16 Awb juncto monumentenverordening. Monumentenvergunning en bouwvergunning verleend voor het veranderen van een pakhuis in een woning. Door verzoekster ingediend bezwaarschrift is zowel tegen de verlening van de monumentenvergunning als tegen de verlening van de bouwvergunning gericht. Ingevolge artikel 7.11 van de monumentenverordening blijft een vergunning buiten werking gedurende de in art. 6:7 Awb genoemde termijn. Indien gedurende die termijn beroep is ingesteld op grond van de Awb, blijft de vergunning buiten werking totdat op dat beroep is beslist, tenzij met toepassing van art. 107 Wet op de Raad van State op een desbetreffend verzoek beslist wordt de schorsing op te heffen. Een redelijke uitleg van dit artikellid brengt met zich dat de monumentenvergunning, indien tegen de verlening daarvan tijdig bezwaar is gemaakt, ook gedurende de bezwaarschrift-procedure buiten werking blijft. Het betoog van verweerder, dat genoemd artikellid buiten toepassing dient te blijven, faalt. Art. 6:16 Awb laat toe dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt afgeweken van de hoofdregel dat het bezwaar of beroep niet de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht, ook indien dat wettelijke voorschrift is vastgesteld door een lagere wetgever, zoals de raad van verweerders gemeente. Ook anderszins zijn er geen aanknopingspunten te vinden om het betreffende artikellid onverbindend te achten, dan wel in het onderhavige geval buiten toepassing te laten. Verweerders stelling dat de vaststelling door de raad van dit artikellid op een vergissing berust, kan niet leiden tot een ander oordeel. Nu verweerder nog niet op het (tijdig ingediende) bezwaarschrift van verzoekster heeft beslist, moet worden geoordeeld dat de monumentenvergunning nog niet in werking is getreden. Verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Het college van burgemeester en wethouders van Zutphen, verweerder. mr. K. van Duyvendijk


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Reg.nrs.: 02/1539 en 02/1542 UITSPRAAK op de verzoeken om een voorlopige voorziening in het geschil tussen: [verzoekster], te [woonplaats] verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder, alsmede [3e partij], te [woonplaats], derde-partij. 1. Aanduiding bestreden besluiten a. Besluit van verweerder van 20 maart 2002, waarbij aan de derde-partij op grond van artikel 7 van de gemeentelijke monumentenverordening een monumentenvergunning is verleend voor het veranderen van een pakhuis in een woning, op het perceel plaatselijk bekend [adres] te Zutphen (02/1542). b. Besluit van verweerder van 21 maart 2002, waarbij aan de derde-partij voor het hiervoor genoemde veranderen van het pakhuis bouwvergunning is verleend (02/1539). 2. Procesverloop Verzoekster heeft bij brief van 16 april 2002 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 1 november 2002 heeft mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, verzocht om een voorlopige voorziening met betrekking tot zowel de monumentenvergunning als de bouwvergunning. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 14 november 2002. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Aanhold voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.T. van Stiphout, W.R.L. Verdurmen en W.H. Wensink. Namens de derde-partij zijn verschenen R. Leegwater en J. Veltenaar. 3. Motivering Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Niet in geschil is dat het in rubriek 2 genoemde bezwaarschrift zowel tegen de verlening van de monumentenvergunning als tegen de verlening van de bouwvergunning is gericht. Artikel 7, elfde lid, van de – door de raad van verweerders gemeente op 29 januari 1991 vastgestelde en laatstelijk op 18 december 1993 gewijzigde – monumentenverordening luidt: “Een vergunning blijft buiten werking gedurende de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn. Indien gedurende die termijn beroep is ingesteld op grond van de Algemene wet bestuursrecht, blijft de vergunning buiten werking totdat op dat beroep is beslist, tenzij met toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State op een desbetreffend verzoek beslist wordt de schorsing op te heffen”. Een redelijke uitleg van dit artikellid brengt met zich dat de monumentenvergunning, indien tegen de verlening daarvan tijdig bezwaar is gemaakt, ook gedurende de bezwaarschrift-procedure buiten werking blijft. Het betoog van verweerder, dat genoemd artikellid buiten toepassing dient te blijven, faalt. Artikel 6:16 van de Awb laat toe dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt afgeweken van de hoofdregel dat het bezwaar of beroep niet de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht, ook indien dat wettelijke voorschrift is vastgesteld door een lagere wetgever, zoals de raad van verweerders gemeente. Ook anderszins zijn er geen aanknopingspunten te vinden om het betreffende artikellid onverbindend te achten, dan wel in het onderhavige geval buiten toepassing te laten. Verweerders stelling dat de vaststelling door de raad van dit artikellid op een vergissing berust, kan niet leiden tot een ander oordeel. Nu verweerder nog niet op het (tijdig ingediende) bezwaarschrift van verzoekster heeft beslist, moet worden geoordeeld dat de monumentenvergunning nog niet in werking is getreden. Hieruit volgt dat het op grond van artikel 7 van de monumentenverordening thans (nog) verboden is het in geding zijnde – als beschermd monument aangewezen – pakhuis in enig opzicht te wijzigen, hetgeen tevens met zich brengt dat geen gebruik mag worden gemaakt van de verleende bouwvergunning. Met de werkzaamheden mag derhalve thans geen begin worden gemaakt. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, thans een voorlopige voorziening vereist. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. 4. Beslissing De voorzieningenrechter, recht doende: - wijst de verzoeken af. Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2002 in tegenwoordigheid van de griffier. Afschrift verzonden op: